Wat is een beengeleider hoortoestel en wanneer biedt dat een oplossing ?

Een beengeleider hoortoestel is van oudsher een weinig geliefde vorm van gehoorrevalidatie met een hoortoestel. Geleidelijk aan zijn er echter deels implanteerbare hoortoestellen ontwikkeld en ter beschikking gekomen. De microfoon en het hoortoestel zelf worden nu wel aan een en dezelfde zijde gedragen , namelijk aan de kant waar de slechthorendheid van vooral het geleidingstype aanwezig is. Bovendien zijn deze hoortoestellen inmiddels veel krachtiger geworden dan de vroegere uitvoeringen geweest zijn. Er is geen verschil van mening meer over het volgende. Bij grote (40-60 dB) beiderzijds aanwezige geleidingsverliezen, zijn beengeleider hoortoestellen in prestatie de conventionele luchtgeleidings-hoortoestellen zelfs gaan overtreffen. Dus ook als er wel een uitwendige gehoorgang beschikbaar is voor de aanpassing van een conventioneel luchtgeleidingshoortoestel.

Wanneer biedt een beengeleider hoortoestel een oplossing ?

Sinds 2001 is de “Softband” ontwikkeld. Dit is een zachte, elastische, om het hoofd aan te brengen band, waarop het beengeleider hoortoestel (BAHD = Bone Anchored Hearing Device) vast geklikt kan worden. De Firma Cochlear brengt zo haar BAHA (Bone Anchored Hearing Aid) en de Firma Oticon Medical haar Ponto beengeleider hoortoestel samen met een SOFTBAND met veel succes op de markt. Toepassing met een BAHD Softband maakt een gehoorrevalidatie nu al mogelijk vanaf de eerste maanden na de geboorte. Voor kinderen met een dubbelzijdige geleidingsslechthorendheid is dat een geweldige vooruitgang. De geholpen gehoordrempel komt zo al te liggen rond de 28 dB. Met een hoorschroef en een later op te plaatsen abutment kan dat niveau zelfs verbeterd worden tot een 15 dB “geholpen drempel”. Hoe eerder gestart kan gaan worden met het revalideren van een slechthorende baby – en dat geldt ook voor een geleidingsslechthorendheid – hoe beter uiteindelijk de resultaten zullen zijn. Dit kan helpen het voorkomen van ontwikkelingsachterstanden ten gevolge van de aanwezige enkelzijdige of dubbelzijdige slechthorendheid. Het voorkomen van een achterstand mag hier ook gelezen worden als “niet achterop raken”. Dit dient gezien te worden tegen de werkelijke intellectuele maximale mogelijkheden aanwezig in dat betreffende kind.

Het effect van een eenzijdige groot geleidingsverlies voor de ontwikkeling is milder, maar wordt naar alle waarschijnlijk toch al te zeer onderschat.

Bron: prof. Cremers