Betekenis van een éénzijdig gehoorverlies

Met twee oren hoort iemand beter en meer dan met één oor. Wanneer het goede/beste oor (vrijwel) normaal goed hoort en het wat zwakkere oor een gehoorverlies heeft van 40 dB of meer, zal het geluid aangeboden aan het zwakkere oor “omlopen” naar het goede oor. Daarmee zal feitelijk alleen door het goede oor gehoord worden. Functioneel is iemand dan één-orig.

Men heeft twee oren nodig om geluid (bijvoorbeeld spraak) goed te kunnen horen in een rumoerige omgeving. Men heeft eigenlijk twee oren nodig om geluid goed te kunnen lokaliseren. Dat is bijvoorbeeld belangrijk in het verkeer om gemakkelijk te weten waar een geluid (bijvoorbeeld een brommer of een auto) vandaan komt. Ook in een rumoerige omgeving heeft men eigenlijk twee oren nodig om geluid goed te kunnen lokaliseren. Toch heeft recent wetenschappelijk onderzoek het volgende aangetoond. Een deel van de kinderen/volwassenen met een aangeboren éénzijdig groot geleidingsslechthorendheid kan toch met alleen het goede oor geluid lokaliseren. Aangetoond is, dat juist vanuit verschillende plekken in de oorschelp die geluiden net iets anders worden opgevangen en vervolgens aan de gehoorgang (en dus het binnenoor) worden door gegeven. Personen, respectievelijk een deel hiervan, bleken in die bijzondere testopstelling toch in staat geluiden te lokaliseren, die ergens in de ruimte geproduceerd werden.

De leersituaties op scholen zijn nogal eens in een rumoerige omgeving. Horen en daarna het verstaan van wat wordt gezegd verloopt moeilijker. Zo verloopt het proces op het niveau van de hersenen om te weten wat is gezegd bij een slechthorende langzamer dan bij een goed horend persoon. Een één-orig persoon is in een rumoerige omgeving eigenlijk ook een slechthorende persoon.Recent wetenschappelijk onderzoek maakt aannemelijk, dat dit iets later verstaan het leerproces (inprenten/onthouden) enigermate vertraagt/belemmert. Dat geldt ook voor matig slechthorende volwassenen met slechts een lichte gehoorbeperking. Bovendien blijkt het moeten horen voor hen ook vermoeiender.

Wetenschappelijk onderzoek is er nu op gericht in een maat en getal uit te drukken hoeveel bij een kind met een functionele één-origheid dit de intelligentie ontwikkeling (I.Q.) en daarmee de schoolprestaties beïnvloed. Zo kan het zijn dat een dergelijk kind het weliswaar goed doet in haar klas en op haar klasniveau, maar dat zij/hij qua intelligentie en aanleg eigenlijk toch net een wat hoger niveau schoolklas zou hebben aan gekund. Het idee is, dat wanneer het zou lukken al op een vroegtijdig moment die één-origheid te revalideren naar een twee-origheid dit wel eens zou kunnen gaan verbeteren.

Deze inzichten hebben er toe geleid om al op een jonge leeftijd (vanaf de eerste levensmaanden!) aan kinderen met een eenzijdig grote geleidingsslechthorendheid (zoals bij een gehoorgangatresie) een BAHD met een SOFTBAND regulier aan te bieden (Zweden). Doel is dat al in die vroege kinderjaren op centraal hersenfunctie niveau een optimale “twee-origheid” gaat ontstaan. In de komende tientallen jaren zal wetenschappelijk onderzoek moeten gaan uitmaken hoe belangrijk zo’n vroege revalidatie voor een éénzijdige functionele geleidingsslechthorendheid nu werkelijk is.

Bron: prof. Cremers