Stappenplan bij een éénzijdige Microtie / Anotie

Bij een éénzijdige Microtie/Anotie is in de tijd het stappenplan vrijwel gelijkluidend. De uitleg over hoe zo’n ontwikkelingsstoornis kan ontstaan en welke structuren van het oor hierbij betrokken zijn is gelijk. Het uitsluiten of bevestigen van een syndromale diagnose is ook één van de te maken stappen. Dat gaat samen met het bespreken van een mogelijke oorzaak voor deze aanlegstoornis. De volgende stap is een uitleg te krijgen over de grootte van een eventueel herhalingsrisico voor zo’n zelfde aandoening bij een volgend kind.

Uitleg over de (plastisch chirurgische) mogelijkheden (er zijn ook oorartsen die die operaties voor oorschelpreconstructie kunnen uitvoeren) voor op termijn  een oorschelpreconstructie met eigen weefsel moet op dat moment besproken worden. Ook al zijn er pas  op een wat latere leeftijd echte mogelijkheden om zo’n oorschelpreconstructie  te kunnen uitvoeren en zijn die operaties dus nog niet op dat moment uitvoerbaar.

Bij een dubbelzijdige Microtie/Anotie, met dus dientengevolge onvermijdelijk een ernstige  slechthorendheid van het geleidingstype, zal voor eenieder zonneklaar zijn dat vlot gestart zal moeten gaan worden met een revalidatie van het gehoor. De revalidatie vindt plaats door een beengeleider-hoortoestel aangekoppeld op een elastische SOFTBAND, rondom het hoofd van het kind te plaatsen.

Voor een EENZIJDIGE geleidingsslechthorendheid is nog niet  iedereen ervan overtuigd, dat een vroege hoortoestelaanpassing nuttig/noodzakelijk is. Er is weinig verschil van inzicht, wat een functionele één-origheid betekent in vergelijking en  vergeleken met een normale twee-origheid. Voor het goed kunnen verstaan van spraak in een wat rumoerige omgeving is een goede hoorfunctie nodig en wel met twee oren. Het idee is dat, voor de  ontwikkeling tot twee-origheid,  vroegtijdig een  rijping  op centraal niveau in de hersenen plaats heeft en wel in de eerste kinderjaren. Nieuwe vergelijkende studies tussen slechts één-zijdig horende kinderen en normaal tweezijdig horende kinderen bevestigen een eerder vermoeden. Namelijk dat de één-orige kinderen wat achterblijven bij hun individuele maximale mogelijkheden in hun ontwikkeling/scholing. Stap voor stap zal naar verwachting de bewijsvoering voor die aannemelijke  stelling sterker worden.

Uit de eerste wetenschappelijke publicaties over de uitkomsten over het horen bij kinderen die na de eerste levensjaren of zelfs wat later aangepast werden met een Baha volgt:

  • dat deze kinderen voordelen ervaren;
  • maar dat die voordelen groter blijken te zijn;
  • bij kinderen met een één-zijdig verworven gehoorverlies in vergelijking;
  • bij kinderen met  een aangeboren één-zijdig geleidingsverlies.

Gedacht wordt dat dit verschil verklaard zou mogen worden met het gegeven  dat  de groep kinderen met een verworven oorzaak voor hun één-zijdig geleidingsverlies aanvankelijk WEL met twee oren goed gehoord zullen hebben. Los hiervan is opgevallen, dat er een heel grote spreiding was in de uitkomsten tussen de kinderen onderling in elk van deze groepen. Voor dit moment is het in ieder geval zaak om aan de ouders uit te leggen, dat met een beengeleiderhoortoestel het twee-orig kunnen zijn technisch gesproken hersteld kan worden. Dit kan vanaf de leeftijd van 6 maanden middels de BAHD Softband.

Voor de Zweedse overheid is dit allemaal  inmiddels al zo overtuigend , dat voor elk kind met een aangeboren éénzijdige ernstige geleidingsslechthorendheid een beengeleider-hoortoestel met SOFTBAND van overheidswege  kosteloos ter beschikking wordt gesteld. Een toch wel veelzeggend gebaar.

Bron: prof. Cremers